Zonde is overspel plegen






Om een beter beeld te krijgen van wat zonde nu werkelijk is, kijken we naar een heftig hoofdstuk uit Hosea. Lezen Bijbel Hosea 1.

Als we de verzen 2-9 van hoofdstuk 1 lezen, dan lijkt het wel of we afdalen in een diepe put. Het licht verdwijnt en het wordt steeds donkerder. Iedere nieuwe naam van een kind van Hosea en Gomer kondigt een donkerder oordeel aan dan de vorige. Gaat het bij Jizreël alleen nog om de ondergang van het koningschap en de legermacht van Israël, bij Lo-Ruchama en Lo-Ammi wordt de ondergang van het volk Israël (het tienstammenrijk) als geheel beschreven. (In die tijd was het volk Israël verdeeld in twee rijken, het tienstammenrijk dat Israël werd genoemd en het tweestammenrijk dat Juda werd genoemd.) Het oordeel wordt steeds donkerder en de stem van God klinkt steeds verder weg. Niet-mijn-volk echoot de Israëlieten in de oren, diep in de duistere put van dood en ballingschap.

Wat is er gebeurd? Wat is de aanleiding ervoor dat de HERE als het ware de moed opgeeft met zijn volk? Nou, dat is wat in vers 2 wordt gezegd: "…het volk maakt zich schuldig aan overspel door zich van de HEER af te keren." Eigenlijk staat er: het ‘land’ maakt zich schuldig…. Dat is natuurlijk het volk, de mensen die er wonen, maar er zit een dubbele bodem in het woord land. Het gaat er om dat het volk zijn eigen God, Jahwe, de HERE, ingewisseld heeft voor de vele vruchtbaarheidsgoden, zoals Baäl en Astarte, of geprobeerd heeft God als een soort Baäl te vereren. In de godenverhalen van die vruchtbaarheidscultus verschijnt het land namelijk in de gestalte van een moedergodin, bijvoorbeeld Astarte, die haar vruchtbaarheid ontvangt door de gemeenschap met Baäl, de macho onder de goden. De regen werd dan gezien als het zaad van Baäl. En aan deze seksuele gemeenschap tussen de goden was dan, volgens deze vruchtbaarheidsgodsdiensten, de oogst van het land te danken. Kijk maar in Hosea 2:7, waar de HERE zich beklaagt dat zijn volk voor het koren, de most en de olie niet Hem, maar de Baäl dankt.

Het was de afgelopen jaren eigenlijk van kwaad tot erger gegaan, als het gaat om de verering van andere goden dan de HERE. En als het gaat om vruchtbaarheid geldt ook nog, dat als de goden hun god-zijn beleven in seksuele eenwording, daar ook een seksuele verering van die goden bij hoort. In de tempels werd op rituele wijze de seksuele gemeenschap nagedaan die in de godenwereld gepraktiseerd werd. Daarmee probeerde men de goden een plezier te doen, en vruchtbaarheid voor zichzelf te verkrijgen. Wanneer een meisje ‘vrouw’ was geworden, werd van haar verwacht dat ze naar een tempel ging om daar tenminste eenmaal ritueel gemeenschap te hebben met een willekeurige bezoeker van de tempel. Had zij dat gedaan, dan kreeg zij een hoofdband of een gordel of zo, waaraan kenbaar was dat zij de rite had ondergaan en dus, onder de zegen van de Baäl, vruchtbaar was. Tja… in Amsterdam is het heftig gesteld rondom seksualiteit, maar toen konden ze er ook wat van…

Nou, het is zo’n meisje dat Hosea moet trouwen van de HERE. Gomer de dochter van Diblaïm was dus geen ’gewone’ hoer, die haar beroep had gemaakt van haar lichaam (daarvoor had in het Hebreeuws een ander woord gestaan) Gomer had aan deze vruchtbaarheidsrite deelgenomen en dat was zichtbaar aan de hoofdband, gordel of amuletten die ze daarbij had gekregen. Ze was dus een vrouw die haar vruchtbaarheid niet van de HERE, maar van Baäl verwachtte. Daarom heten haar kinderen ook ontuchtige kinderen, hoerenkinderen, niet omdat ze hun geboorte aan een vreemde man te danken hebben (het waren alle drie kinderen van Hosea), maar omdat ze die volgens Gomer aan een vreemde god te danken hebben. Als er in Hosea’s huwelijk al iets schokkends is, dan is dat niet dat Hosea met een hoer, in onze betekenis van het woord, moet trouwen, nee, het is dat hij, als profeet, met een afgodendienares moet trouwen, een verplicht gemengd huwelijk. Hij mag zich niet afzijdig houden, maar moet zich juist verbinden aan zijn volk wat aan afgodendienst ten onder gaat.

Toch gaat het in onze tekst niet om dat schokkende huwelijk, maar om wat er op volgt: het spreken van de HERE in de naamgeving van de kinderen. Iedere keer als er een kindje geboren werd, dat opgroeide, moest Hosea uitleggen waarom het juist deze naam gekregen had. En wat dat betreft zie je hier echt het begin van het spreken van Jahwe door Hosea (vs 2a).

Toch hebben de Israëlieten in deze profetie van Hosea geen aanleiding gezien om tot de HERE terug te keren. Als het volgende kindje van Hosea en Gomer geboren wordt krijgt het dan ook een ingrijpender naam. De HERE gaat afstand nemen van zijn volk. Hij zal zich over Israël niet meer ontfermen: Lo-Ruchama, geen ontferming. De HERE trekt de consequenties uit Israëls gedrag: omdat Israël de liefde en hulp van de Baäls blijft zoeken, houdt Gods liefde voor zijn volk op. Hij sluit zich voor hen af en laat zich niet meer innerlijk bewegen tot medelijden: geen ontferming meer. Hij is ook niet meer bereid iets van zichzelf op te geven voor het volk dat Hij liefheeft: geen vergeving meer. Is God in de profetie over het koningshuis nog actief (daar verwees de naam Jizreël naar), grijpt Hij nog in, hier niet meer. Hij laat en houdt op te doen. De HERE laat echter ook nog een opening voor terugkeer. Op twee manieren komt dat in de tekst naar voren: in de verwijzing naar Juda, waarover de HERE zich op een eigen, speciale manier nog wel ontfermen zal, en in de tijd die verstrijkt voor de geboorte van het derde kindje: ongeveer drie jaar: pas nadat Gomer Lo-Ruchama geen borstvoeding meer gaf werd zij weer zwanger. Met andere woorden: wie schrikt van de harde woorden van Jahwe, wie merkt wat hij heeft aangericht met zijn afgoderij en dan terug wil, die kan dat doen door de HERE in Jeruzalem te zoeken, en niet in Dan of Betel, bij de afgoden. Drie jaar lang geeft de HERE zijn volk nog de tijd om tot inkeer te komen.

Maar ook dat heeft niet geholpen. Opnieuw trekt de HERE de consequentie, de laatste consequentie, uit Israëls gedrag: met de naamgeving van het derde kindje van Hosea en Gomer doet de HERE niet veel meer dan een feit constateren. Hij constateert dat Israël het volk van een andere god geworden is, en trekt de consequentie: u bent mijn volk niet. Lo-Ammi, niet mijn volk. In de grondtaal zie je terugkomen dat de verbondsformule ’Ik zal uw God zijn en u zult mijn volk zijn’ ontkent wordt. Jahwe is niet meer de God van Israël en zal hen dus ook niet meer helpen. De HERE stelt vast dat het verbond verbroken is, definitief. Israël is onder de heidenvolken teruggevallen. We zijn hier werkelijk op een dieptepunt aangekomen. Alleen zal het volk de duisternis ingaan die het zelf heeft gekozen: ballingschap en dood. Het profetengezin is zo een dreigend teken voor de hele omgeving. In de namen van de kinderen wordt Israël getekend als het door de HERE verstoten Israël. En als je naar de reden vraagt, dan hoef je maar naar de moeder van de kinderen te kijken: het beeld van het van de HERE afgeweken Israël. In Hosea’s huwelijk en in zijn kinderen wordt het vernietigend oordeel van God over zijn volk uitgesproken, inclusief de reden daarvoor. De HERE God heeft slechts de consequenties getrokken.

Heel heftig. De Here vergelijkt het doen van zonde… het volgen van ándere goden dan Hem, met ‘overspel’.

Zonde is ‘doel missen’. En het is net als bij voetbal, je kunt uitroepen ‘ahh…’, omdat het jammer is dat het net mis is. Maar net mis, is wel mis. En niet een beetje raak. Als jij zondigt, dan loop je het doel van je leven mis, hoe mooi de wedstrijd, of de loopbaan, ook was. Zonde is God negeren… afwijken van het goede pad en ongehoorzaam zijn aan Gods gezag.

Als jij Jezus kent, dan weet je dat zonde ook je grootste vijand is. Je wilt het helemaal niet. Je wordt er niet blij van. Het is iets wat tegen je zin in gebeurt. En toch… is het daar. Maar onthoud: geen zonde is dieper, geen zonde is groter, dan de genade van onze Here Jezus Christus. Dan de trouw van onze God. Hij wil herstel geven. Je kunt Hosea 2 lezen en er achter komen hoe ontrouw de partner van Hosea was. Maar er kwam een moment… dat Hosea haar mee nam naar de woestijn om eens van hart tot hart te spreken.

We lezen in de Bijbel Hosea 2:16-25.

Ben jij teleurgesteld in jezelf? Hier zijn Gods beloften. Hij zal zich weer over je ontfermen! Jij mag zeggen: ‘U bent m’n Bruidegom! Bij U wil ik horen! U wil ik mijn leven geven!’ En Hij zal zich weer jouw God noemen!

De scheiding zou niet definitief zijn. Gods bestraffing zou Zijn volk tot zinnen brengen en Hij zou hen weer goed gezind worden. Hij zou hen Zijn ontferming tonen en hen weer Zijn volk noemen. Hij zou hen uit de ballingschap terugbrengen en hen in het Beloofde Land planten (de naam Jizreël betekent: ‘God plant’). Als een illustratie hiervan droeg de Here God Hosea op zijn weggelopen vrouw terug te nemen, die nu van iemand anders was. Hosea betaalde de prijs om haar te vrij te kopen, zoals dat in die tijd ging (Hosea 3:1-5). Hier ligt een geweldige mooie parallel met wat Jezus later heeft gedaan. Hij heeft niet alleen de schuld en schaamte op zich genomen, door aan het kruis voor ons te sterven en daarmee een ruil mogelijk te maken. Maar Hij heeft ons ook nog eens vrijgekocht en een machtige toekomst beloofd en mogelijk gemaakt!

Zonde, je grootste vijand! Hosea beschrijft een verwonde, gegriefde God die Zijn volk streng bestraft. Maar die bestraffing is een uitdrukking van een eeuwige goddelijke liefde die nooit Gods kinderen zou kunnen verlaten. Misschien is Hosea’s grootste bijdrage niet een les, maar een beeld - een beeld van een God die hevig lijdt vanwege Zijn eigenzinnige kinderen en een God die eraan werkt, er álles aan doet, ze te trekken zodat zij naar Hem terugkeren.

Amen.




Geschreven door Jurjen ten Brinke, voorganger van "Hoop voor Noord", in  Amsterdam.



2/5/11


www.vreugdeolie.nl